Skip to content

Mr. Darcy

10 oktober 2013

1. Pas op voor Mark Darcy.

2. Hij is niet dood, hij leeft!

Dat praten over boeken levendige en verhitte tv-momenten kunnen opleveren, bleek gisteravond weer eens tijdens de uitzending van DWDD. Vanaf vandaag ligt het derde (Engelstalige) boek over Bridget Jones in de winkel, Mad About the Boy. Helen Fielding, schrijver van de serie, vond het nodig haar fans vooraf een kleine waarschuwing te geven. Er was namelijk het een en ander veranderd in het leven van Bridget. De vrijgezelle dertiger is in het derde boek 51, heeft twee kinderen, en is weduwe geworden. Mark Darcy, die haar aan het eind van boek twee ten huwelijk vroeg, is dood.
Fans over de hele wereld zijn verbijsterd en verontwaardigd. Waarom moest Mark dood en mag Bridget niet gelukkig zijn?

Je zag hoe een discussie over verhaaltechniek concreet werd gemaakt in een discussie over een dood personage. En dat die discussie nu eens niet ontstond in kleine kring, onder vakspecialisten zoals schrijvers, uitgevers, redacteuren en literatuurwetenschappers, maar op grote schaal bij lezers van het boek.

Zou Fielding deze ophef verwacht hebben? De keuze die ze maakte is verhaaltechnisch te begrijpen. Jones mag niet gelukkig zijn omdat ze nu eenmaal een verhaalpersonage is en een gelukkige liefde een saai boek zou opleveren. Er moest iets gebeuren, iets drastisch, en het moest over de liefde gaan. Alleen dan zou dit derde boek verslonden worden.

Schrijver Marlies Slegers legde aan tafel bij DWDD uit waarom de keuze voor de dood van Darcy toch wat ongelukkig was. Zelf zou ze nooit een door fans geliefd hoofdpersonage uit een verhaal schrijven. Maar bovenal vond ze de verhaalovergang, van Bridget als single dertiger naar Bridget als vijftiger en weduwe, te abrupt. Als lezer had ze voorbereid willen worden op de mogelijke aftocht van Darcy – Bridget en Mark hadden bijvoorbeeld kunnen vreemdgaan of scheiden.

Een verhaal vertellen kent zo zijn wetten. Geen grote dingen laten gebeuren zonder ze ergens aan te kondigen, is er een van. Verhaalwetten mogen doorbroken worden zolang lezers erin mee kunnen gaan; het spanningsveld tussen drastische keuzes maken en hopen dat lezers het pikken. Fielding en haar redacteur hebben het risico willen nemen. En de lezers accepteerden het niet.

Daarover ging de discussie: hoe je geloofwaardig een verhaal vertelt. Er zit veel rek in wat mensen bereid zijn zich voor te stellen, maar het houdt ergens op. Die grens moet je als verhalenmaker, of je nu journalist, tv-maker, politicus, advocaat, econoom, marketeer of een andere verhalenverteller bent – en wie is er géén verhalenverteller op zijn tijd – in de gaten houden.

Met Marc Darcy gaat het ondertussen goed. Hij is niet dood. Hij blijft voortleven in een nieuw gezegde: Een mr. Darcy doen. Wie ‘een mr. Darcy doet’, wil een grote, drastische beslissing nemen maar vergeet dat de mensen die ermee te maken krijgen, daar zorgvuldig op voorbereid moeten worden. Kan die metafoor van de kikker en de pan kokend water ook eens naar het archief.

Cathelijne

Advertenties

Boekingsnummers

7 oktober 2013

1. Een goede reis begint met een goed boekingsnummer.

2. Geloof niet altijd wat je denkt.

We gingen op vakantie naar een land met zongarantie. Nu het in Nederland herfst begon te worden nog snel wat zomerse dagen hamsteren. Uitstekende timing, vonden we zelf. Reisgenote boekte de tickets en stuurde per mail de boekingsnummers door. Opgewekt had ze erbij geschreven: ‘Moet je zien: R8UZ5T, lijkt dat niet op RUST? Precies wat we nodig hebben.’
Verrek, inderdaad. Wat toevallig. Zou de vliegmaatschappij dat bewust…? Slim dat ze zelfs over dit detail hadden nagedacht.
Nieuwsgierig zocht ik het boekingsnummer van de heenreis op. ELLNCDP. Ken je dat fenomeen waarbij de begin- en eindletter van een woord op de juiste plaats staan, maar alle tussengelegen letters gehusseld zijn? Je kunt ondanks de verkeerde volgorde toch lezen wat er staat. Husselen maakt het brein niks uit. Het kostte het me dus geen moeite om in ELLNCDP ellende te herkennen. De D stond niet eens waar ie hoorde te staan. Opgewekt schreef ik terug: ‘Hoop dat we heelhuids arriveren, haha.’
Rap manoeuvreerde ik terug naar de orde van de dag. Niet bij stilstaan, het was maar een lettercombinatie. Je moest er niks van denken. Stom toeval, haha. Je moest het al helemaal niet als een voorteken zien. Een ellendig voorteken. Nee toch zeg, haha.
Rationeel wist ik dat allemaal wel. Maar wat als het stomtoevallig wel mis ging? Als er iets ellendigs zou gebeuren? Achteraf zou ik denken, als ik dan überhaupt nog tot denken in staat was, dat ik het allemaal had kunnen voorkomen als ik niet zo rationeel was geweest.

Een brein is dol op sterke verhalen en heeft maar een paar ingrediënten nodig om er een te maken. Een enkel woord of cijfer is al genoeg. Je zou er bijgelovig van worden. Daarom zijn er in hotels geen dertiende verdiepingen en bestaan er geen kamers nummer 13. Als we toch mogen kiezen, brengen we liever de nacht door in kamer nummer 12, of 14.

Aan onze reis heeft natuurlijk niets gemankeerd. Integendeel. We baadden lui in de warme septemberzon, slenterden wat en vergaten hoe wolken eruit zagen. Oleanders bloeiden, kurkbomen wierpen lauwwarme schaduwen. Wat een schitterend en vriendelijk land was dit toch. Een plek om naar terug te keren. Met, als we dan toch mogen kiezen, PL3Z13R en V31L1G als boekingsnummers.

Cathelijne

Hoe kinderen een boek uitkiezen

2 september 2013

1. Flapteksten op kinderboeken slaan nergens op.

2. Volwassenen moeten leren opschieten in de boekhandel.

Na vijftien jaar in het boekenvak zou je zeggen dat je wel kunt inschatten hoe je een lezer aan een boek kunt krijgen. Van marketingstrategieën tot klanten adviseren tot doelgroepdenken tot flapteksten schrijven, ik weet er best wat van. Als lezer heb je er geen idee van dankzij welke krachten je uiteindelijk dat boek hebt afgerekend en gaat openslaan.

Maar de drie uur die ik laatst doorbracht in de schoolbibliotheek van mijn dochter, waren verfrissender dan ik had kunnen vermoeden. Na ongeveer 68 kinderen te hebben zien binnenkomen en weer vertrekken met een boek onder de arm, weet ik nu hoe een kind een boek kiest. Namelijk zo:

1. Kind komt schoolbibliotheek binnen en kijkt om zich heen.

2. Kind pakt een willekeurig boek uit de kast waar niemand voor staat, kijkt naar het omslag (alleen de voorkant) en slaat het open (zonder erin te bladeren).

3. Als er wel/geen plaatjes in staan of wel/geen grote letters (geheel naar voorkeur van het kind in kwestie), wordt het boek weer teruggezet.

4. De vorige twee stappen herhalen zich nog een paar keer.

5. Om redenen van tijdsdruk (het volgende groepje kinderen staat te wachten) wordt er een boek uitgekozen.

Oftewel: kinderen lezen geen flapteksten. Dit is toch interessante informatie voor de kinderboekenvakkers onder ons? En ik vraag me ook af of het zou helpen tegen de crisis in het boekenvak, om volwassenen een kookwekker te geven voordat ze een boekhandel binnenstappen (Je hebt een kwartier! Go go go!). Of klanten voortaan alleen in groepjes van vijf binnen te laten. Of tegen boekverkopers te zeggen dat ze niet voor de boekenkasten mogen gaan staan.

Vragen, vragen.

Anne Vollaard – eigenaar van De Redactiekamer.

Een carrière als detective

30 augustus 2013
tags:

1. Je wordt nooit zoals Philip Marlowe.
2. Als je er zelf al niet in gelooft, wie dan wél?

De eerste veertien jaar van mijn leven wilde ik detective worden. Voor die stille ambitie zijn een paar mensen verantwoordelijk. Alhoewel, kun je Suske en Wiske wel mensen noemen? OK, maar Kuifje dan ook niet. Hercule Poirot, ja dat was een échte detective. Briljant, maar niet stoer. Dat gold ook voor Colombo: wel grappig, maar iets te sullig. Ik dacht meer aan iemand als The Saint. Dat echtpaar van die leuke BBC-serie, Tommy & Tuppence, die vond ik ook erg leuk, maar die kon ik niet in mijn eentje spelen. Eén van de weinigen, die als rolmodel overeind bleef was Kalle Blomqvist.

Mijn beeld van het gemiddelde detective-leventje kreeg een flinke makeover toen ik Philip Marlowe op tv zag. Daar hoorden klassieke auto’s bij, ongefilterde sigaretten, lage mannenstemmen, stoere oneliners, pistoolschoten, weinig daglicht en mooie jazz met glijende saxofoons. De romantiek!

LIFESTYLE

De hele dag detective zijn, dat leek me geweldig. Een portemonnee met een paar geheime vakken, een sleutelbos met een onherkenbaar wapen eraan (iets met gif), een notitieblokje met aantekeningen die niemand kon ontcijferen, een telefoonboekje met forensische onderzoekers die je midden in de nacht kon bellen, sluipschutters en andere obscure mannetjes die altijd voor je klaar stonden — en nooit vragen zouden stellen.

Een auto met codes, gekke bliepjes en panelen die eruit sprongen met computers erin of een zwemvest. geblindeerde ramen, niet te vergeten. En natuurlijk een gadget waarmee je heel snel iets op microfilm kunt schieten (dat had ik wel eens gezien in een James Bond film).

Let wel, dit was nog het tijdperk zonder mobiele telefoons, zonder Internet, zonder een Psion of location based services. Anno 2013 kun je niemand meer met goed fatsoen bedonderen zonder dat het op Internet staat. Zo is er natuurlijk geen bál aan om detective te worden. Maar goed, dat wist ik toen allemaal nog niet.

Het was 1982, ik mat mezelf de levensstijl aan van een detective en vond het wel wat. Alles zoveel mogelijk alleen doen. Een beetje geheimzinnig doen. Niemand in vertrouwen nemen. Alsmaar dingen onderzoeken. Altijd onderweg, op mijn hoede. Nooit iets voor lief nemen. Overal iets achter zoeken.

En dan natuurlijk een opdracht, om iemand te schaduwen. Of iets te uit zoeken. Ach, wát ik dan precies moest doen, dat deed er eigenlijk niet zoveel toe.

HETERDAAD

Op een middag, ik zat nog niet zo lang op het gymnasium, doolde ik wat rond op de gangen in het schoolgebouw. Die waren op dat moment uitgestorven. In een afgelegen lokaal zag ik een oude man. Hij zat geld te tellen.

Dat was verdacht. Had ik hem nu op heterdaad betrapt? Het zweet brak me uit. Gelukkig had hij mij niet gezien. Ik dook weg, zocht mijn aantekeningenboekje (lag nog thuis), keek rond en bedacht wat ik moest doen. Nú moest ik mijn verantwoordelijkheid nemen als detective. Nú kwam het erop aan.

Maar ik maakte dat ik wegkwam. Dat zou Philip Marlowe toch nooit doen?

De dag erna — het voorval was ik allang weer vergeten — liep ik in de pauze de schoolkantine binnen. Hey, dacht ik, deze kantine lijkt verdacht veel op het lokaal waar ik gisteren die ene man zag. Ik sloot netjes aan in de rij, en bestelde een kop thee. Bij de kassa zag ik de man. Natuurlijk: geld tellen hoorde gewoon bij zijn werk. Mijn hart bonkte in mijn keel, alsof hij doorhad dat ik hem gisteren gezien had. Ik betaalde, liep door en wist zeker: ik wil helemaal geen detective worden.


Saxofonist Tom Beek is een veelgevraagd muzikant, die ook zeer actief is op de sociale media. Op zijn website tombeek.nl schrijft hij regelmatig over muziek. Vorig jaar kwam zijn vierde cd uit: ‘Bliss’.

Tofu

16 augustus 2013

1. Is een introvert ingrediënt.

2. Heeft een extraverte verschijningsvorm.

De overgebleven helft van het blok tofu had ik in een wit, ondoorzichtig plastic doosje in de koelkast gezet. Voor later die week.
Er ging een week voorbij, en nog een week. Er verstreken, denk ik, vier weken voordat ik weer aan het doosje dacht. Lang genoeg om te vergeten wat erin zat.
De inhoud verbaasde me. Niet de tofu op zich (oja), of wat ervan over was, maar de kleur. Veel tinten had ik verwacht, van groenblauw tot verstorven bruingrijs. Maar deze zacht oranje?

Cathelijne

Groepsnormen

14 augustus 2013

1. De groepsnorm bepaalt consumentengedrag.

2. Er is niet aan te ontkomen.

Ieder individu maakt deel uit van verschillende wij-groepen. Een gezin, een vriendenkring, een werkomgeving, hardloopgroep, et cetera. Een wij-groep is een groep waar je je deel van voelt. Ertegenover staat de zij-groep: de groep die de wij-groep buitensluit. Als sporters een wij-groep zijn, dan zijn niet-sporters de zij-groep voor de sporters.

Wij-groepen zijn van belang voor onze identiteit. We horen graag bij een groep waarmee we ons kunnen identificeren. Sporters kennen zichzelf eigenschappen toe als sportief en actief, terwijl ze niet-sporters associëren met ongezond en misschien zelfs luiheid.
Leden van een wij-groep delen groepsnormen, waardoor leden van een wij-groep anders denken over leden van een zij-groep en zich daar ook naar gedragen. Zo kan gedrag van een lid van een wij-groep geprezen worden, terwijl datzelfde gedrag van een lid van een zij-groep, afgekeurd wordt.

We doen dat automatisch. Ook al hebben we niet de bedoeling onderscheid tussen de twee groepen te maken. De leden uit een wij-groep hebben per definitie iets met elkaar gemeen. Daarom vinden we die ander alleen al sympathieker doordat die deel is van dezelfde groep, en bevoordelen we hem of haar in sociale en zakelijke situaties.

De groepsnorm heeft een dominante invloed op ons gedrag. Amerikaanse onderzoekers deden een studie in het Petrified Forest National Park, naar de invloed van de groepsnorm op gedrag. Ze maakten een bord waarop het meenemen van hout werd veroordeeld, en plaatsten dat op een druk bezocht pad. Ze legden er ook gemerkte stukjes hout neer. Daarna observeerden ze wat er gebeurde.

Wat bleek? In een tijdsbestek van 10 uur stalen mensen ongeveer 8 procent van de stukjes hout. Maar stond het bord er niet, dan was dat aantal slechts 3 procent.
Natuurlijk dachten de souvenirjagers niet letterlijk: ‘iedereen neemt hout mee dus mag ik het ook’, maar dat was wel de boodschap van hun onbewuste.
Boodschappen die ongewenste sociale normen veroordelen maar tegelijkertijd benadrukken, werken dus contraproductief.

Bron: Stiekeme signalen van Leonard Mlodinow. Maven Publishing, 2013

Cathelijne

Jezelf

23 juni 2013

1. Je bent niet wie je denkt dat je bent.

2. Waar je blij van wordt, dat geloof je.

We hebben graag een goed gevoel over onszelf. Dat goede gevoel is ons zo dierbaar, dat we er alles aan doen om het beschermen. Daarom overschatten we onszelf voortdurend en vertonen we overmoedig gedrag.

‘De meeste leidinggevenden denken dat hun bedrijf meer kans van slagen heeft dan het gemiddelde bedrijf uit hun bedrijfstak, omdat het het hunne is’ geeft natuurkundige Leonard Mlodinow als voorbeeld in zijn boek Stiekeme signalen. Je wordt beïnvloed en je weet het niet. Wat die beïnvloeding betreft: je wordt vooral beïnvloed door je eigen onbewuste denken.

Ons ego verdedigt zijn eer fel. Het beeld dat wij van onszelf hebben, loopt daardoor niet helemaal synchroon met het beeld dat anderen van ons hebben. Gezonde individuen – of ze nu loodgieter of arts zijn – hebben de neiging zich als adequaat en kundig te bestempelen, zelfs als ze dat niet zijn.

Wat is daarvan de oorzaak? Het heeft te maken met hoe we op zoek gaan naar waarheid. Psycholoog Jonathan Haidt stelt dat er twee manieren zijn om achter de waarheid te komen: die van de wetenschapper en die van de advocaat. Wetenschappers verzamelen bewijzen, zoeken naar onregelmatigheden, vormen theorieën die hun observaties verklaren en toetsen deze. Advocaten gaan precies andersom te werk. Ze beginnen met een conclusie waarvan ze anderen willen overtuigen en gaan dan op zoek naar ondersteunend bewijs.

Onze menselijk geest is in staat te denken als een wetenschapper en als een advocaat. Maar we passen vaker de manier van de advocaat toe – daar worden we blijer van. We neigen van geloof naar bewijs te redeneren, en niet andersom, doordat onze geest kiest voor de meest gunstige uitkomst van het denkproces.

Wanneer we dus ons zelfbeeld schetsen, zegt Mlodinow, ‘mengt het onbewuste, onze advocaat, feit en illusie door elkaar; onze sterke punten worden overdreven, onze zwakke punten worden gebagatelliseerd en er wordt een praktisch picassoëske reeks vertekeningen gecreëerd waarin sommige delen (de delen die ons bevallen) tot enorme afmetingen zijn opgeblazen en andere vrijwel onzichtbaar zijn gemaakt.’

Mlodinow oppert zelfs dat hoe ernstiger het goede gevoel over jezelf wordt bedreigd, hoe sterker de neiging om de werkelijkheid door een vertekende lens te zien.

In dit licht is het advies ‘ken uzelf’ een nauwelijks realistisch doel om na te streven. Diverse studies* illustreren bovendien dat we die positieve illusies beter in stand kunnen houden, want mensen met een goed gevoel over zichzelf functioneren beter. Ze zijn coöperatiever, beter in het oplossen van problemen, gemotiveerder om te slagen en volhardender. Door de positieve illusies kunnen we onszelf wapenen tegen neerslachtigheid en obstakels overwinnen. Mensen met de meest accurate zelfperceptie zijn vaak matig depressief, en hebben weinig zelfachting, of beide.

Dus ken uzelf. Maar liever niet te grondig.

Cathelijne

* Stiekeme signalen, p. 309, punt 47 en 48.